25-06-08

Deel I - Bath Ye'or en Eurabia

Vijftien jaar geleden maakte ik een reis door een stuk van Indië.
Een klein stukje maar: een vluchtige glimp van Mumbai, waar ik op een ander vliegtuig moest overstappen, een week in New Delhi, daarna een rondreis doorheen Radjastan.
Op voorspraak van Koenraad Elst logeerde ik in New Delhi enige tijd in het huis van Sita Ram Goël, niet alleen een intellectueel in de beste betekenis van het woord, maar ook een diepzinnig, moedig en wijs mens. Hij behoorde tot de cultureel-politieke stroming die men in onze media gemakshalve omschrijft als "hindoe-nationalistisch" of zelfs "hindoefundamentalistisch".

Zeker die laatste omschrijving is volkomen onterecht, maar dat terzijde. Hij bracht mij in contact met zijn geestesgenoten, en daar ontdekte ik hoezeer Koenraad Elst in die kringen op handen werd gedragen. Zijn voorspraak opende vele deuren, die anders gesloten zouden zijn gebleven. Eén van die mensen, die tegelijk schrijver en journalist was, werd later minister in de BJP-regering, en ook nu is hij nog een gevreesd criticus.

De discussies draaiden natuurlijk meestal rond hetzelfde thema: de islamitische vijand. En binnen dat thema was er één punt dat telkens terugkwam. Hoe was het mogelijk dat de meeste politici altijd opnieuw partij trokken voor de moslims?

Waarom verdedigden de media altijd de standpunten van de islamitische minderheid? Waarom werden de misdaden van moslims altijd doodgezwegen, geminimaliseerd of goedgepraat? Waarom werd een lynchpartij met honderd vermoorde hindoes een incident genoemd, en een wraakaktie met tien dode moslims een genocide?

Waarom namen zoveel politieke partijen de islamitische agenda over, terwijl zij nochtans beweerden dat zij seculier waren? Welke politieke logica zat daar achter? Hoe kon men dat psychologisch verklaren?

Het was verbazend hoe herkenbaar sommige politieke ontwikkelingen in Indië wel waren, hoe groot de parallellen met de migrantenproblematiek bij ons, en zelfs met de wanverhouding tussen de dominante Waalse minderheid en de machteloze Vlaamse meerderheid. Eén hindoe zegde toen met een ondertoon van bitterheid dat het allemaal heel simpel was: de politici praatten de moslims naar de mond omdat zij zo'n sterk "vote bloc" vormden. Niemand durfde het risico lopen dat de islamitische kiezers naar een rivaliserende partij zouden overlopen.

Was dat in mijn land ook zo?
Mijn antwoord was natuurlijk negatief.
Toen was er in België nog geen migrantenstemrecht en ook de nationaliteitswetgeving was nog strenger en logischer.

Maar toch gedroegen de politici zich toen al als bange wezels, die de moslims in alles naar de mond praatten. Ik legde uit dat de moslims in België bijna allemaal immigranten waren en dat zij geen stemrecht hadden en dus ook geen politiek gewicht in de schaal konden werpen. Die verklaring werd met onbegrip en consternatie aanhoord. Als het niet voor de stemmen was, waarom deden die politici dat dan? Waren de Belgische kiezers dan zo pro-islamitisch?

Ging de electorale druk daarvan uit? Maar die hypothese was natuurlijk ook onjuist.

Ik citeerde toen een uitspraak van Bob Cools, die kort tevoren had gezegd dat hij best wist dat hij als een held op de schouders zou worden gedragen als hij de Marokkanen uit Antwerpen liet verdrijven. Hij wist dat hij een beleid voerde dat door een ruime meerderheid van de bevolking werd afgekeurd, zelfs binnen zijn eigen socialistische achterban. Maar toch deed hij het. Waarom? Ik kon geen bevredigende verklaring geven.
Het enige argument dat ik toen kon bedenken om het slaafse gedrag van onze politici te verklaren was ideologische blindheid. Zij zaten zozeer de gevangenen van een discours over gelijkheid, antiracisme, multiculturalisme en cultuurrelativisme, dat zij daardoor zelfs hun eigen electorale belangen uit het oog verloren. Zulke dingen gebeuren.

Ideologische blindheid kan zulke verwoestende gevolgen hebben. Jozef Luns zei ooit dat vele politici niet eens in staat hun eigen belangen doeltreffend te verdedigen. Maar toch bleven die opmerkingen van die hindoes aan mij knagen. Ik vond mijn eigen antwoord onbevredigend.
Niet echt onjuist, maar wel ontoereikend. En ik herinner mij nog altijd hun ongeloof en hun verbazing toen ik hen vertelde dat onze politici geen enkel electoraal voordeel hadden bij het promoten van de islam. Soms merk je eigenaardigheden in je eigen vaderland pas op als je ze door ogen van een buitenstaander ziet.

Zonder motief

Af en toe, als er absurde beslissingen werden genomen, zoals het migrantenstemrecht, de snelbelgwet of de subsidiëring van de islam, dacht ik nog even terug aan die gesprekken in New Delhi.

Waarom deden die politici dat? Het leverde hen geen materiële voordelen op en zeker geen electorale winst. Eerder integendeel.
Zouden ze dan echt al die onzin over de multiculturele maatschappij en de verdraagzame islam geloven?

Maar zelfs dan… Een principiële overtuiging is slechts zelden een voldoende motief om politieke beslissingen te verklaren. In het politieke establishment zijn principes meestal slechts een dekmantel voor egoïsme. Politici nemen beslissingen in functie van de voordelen die zij daaruit hopen te puren.
Dat kan financiële of electorale winst zijn, regeringsdeelname of een baronstitel. Maar die winstfactor is bijna altijd aanwezig.

Behalve klaarblijkelijk als het om de islam en om migranten gaat.
Dan lijken die cynische, egoïstische, hebberige politici zich plots als echte onthechte idealisten te gedragen. Dan plaatsen ze plots nobele utopische principes boven het eigenbelang.
Of tenminste, die indruk wekken ze toch… Welke voordeel had bijvoorbeeld de liberale partij bij het goedkeuren van het migrantenstemrecht?
Het leidde bijna tot een scheuring, en men wist dat er electorale afstraffing zou volgen. Welk voordeel hadden de christendemocraten of de liberalen bij het goedkeuren van het migrantenstemrecht? Zij wisten toch dat de meeste immigranten voor de socialisten of de Groenen zouden stemmen? En zij wisten toch dat die maatregelen impopulair waren, en alleen hun electorale positie tegenover het Vlaams Blok zouden verzwakken? Maar toch deden ze het.

In de microkosmos van de Belgische politiek kan men nog een partiële verklaring vinden in het feit dat de Parti Socialiste incontournable is, en dat zij haar multiculturele en pro-islamitische agenda ook aan de andere partijen kan opdringen.
Maar ook die verklaring is ontoereikend. Want in andere Europese landen, waar die typisch Belgische machtsverhoudingen niet gelden, zien we dat er analoge wetten worden goedgekeurd. De details verschillen, maar de strekking ervan is dezelfde.

Het lijkt wel als de politieke kaste in bijna alle landen van de Europese Unie in de greep is van dezelfde suïcidale waanzin, alsof ze allemaal binnen hetzelfde ideologische kader werken.

Overal zet men de poorten wijd open voor de moslims. Overal verkondigt men de verdraagzaamheid van de islam. Overal drukt men tegen de wil van de kiezers dezelfde multiculturele, antiwesterse en antinationale agenda door.
Zelfs als men pro forma onder electorale druk van rechtse oppositiepartijen enkele beperkingen invoert, blijven die meestal dode letter. Zoals de immigratiestop bij ons. Wat bezielt al die politici?

Wat hebben individuen als Prodi, Verhofstadt, Di Rupo, Marc Eyskens, Martens, Chirac, Zapatero, Dehaene of Blair gemeenschappelijk?


Eurabia ontmaskerd

De joods-Egyptische historica Giselle Littman, die beroemd werd onder haar auteursnaam Bat Ye'or, heeft als eerste een overkoepelend antwoord op deze vragen geformuleerd.
Waarom voeren al die politici al sinds drie decennia in grote lijnen hetzelfde immigratiebeleid?

Heel eenvoudig: omdat dat beleid wordt opgelegd door machtige lobbygroepen binnen de hoogste beleidsorganen van de Europese Unie. Een aantal Europese toppolitici, onder impuls van Frankrijk, hebben vanaf 1973 gemene zaak gemaakt met de Arabische Liga voor de uitwerking van het project Eurabia, wat eigenlijk neerkwam op de politieke onderwerping van Europa.

Dat was de losprijs die zij moesten betalen voor het opheffen van de olieboycot die in 1973 door de OPEC was ingesteld nadat de Arabische verrassingsaanval op Israël was mislukt.

Dat project Eurabia moest leiden tot een Europees-Arabische belangengemeenschap, waarbij een verregaande symbiose moest ontstaan op diplomatiek, cultureel, economisch en religieus gebied.

Inzake buitenlands beleid moest Europa zich losmaken van de Verenigde Staten en volledig de anti-Israëlische standpunten van de Arabische Liga overnemen. De Arabische staten moesten bovendien zonder beperkingen militaire en nucleaire technologie kunnen aankopen in Europa. De economieën van beide blokken moesten nauw met elkaar verstrengeld worden. Europa moest ook alle restricties op de immigratie uit Arabische landen opheffen. Die immigranten moesten dezelfde politieke en sociale rechten krijgen als de onderdanen van de gastlanden. Ze moesten het recht krijgen hun gezinnen te laten overkomen, zodat de oorspronkelijke gastarbeid omgevormd werd tot een echte immigratie. Er moesten gunstige voorwaarden gecreëerd worden om hen toe te laten de religie en de cultuur van hun moederland te bewaren. De islam moest officieel erkend worden. In heel Europa moesten de islam en de Arabische beschaving positief voorgesteld worden in het onderwijs en in de media. De oude "vooroordelen" moesten weggewerkt worden. Daartoe moest vooral het geschiedenisonderwijs volledig herzien worden, en dat op alle niveaus, van de lagere school tot de universiteiten. Nu, dertig jaar later, zien we dat deze agendapunten allemaal zijn uitgevoerd. En het einde van dit Eurabische beleid is nog lang niet in zicht.

Bat Ye’or was bij historici en islamologen al bekend door haar voortreffelijke en goed gedocumenteerde boeken over het dhimmi-statuut en de positie van joden en christenen in de islamitische wereld. Joden en christenen hadden onder dat statuut ongeveer even weinig rechten als lijfeigenen in het feodale stelsel. Zij heeft drie werken over dit onderwerp geschreven: Islam and Dhimmitude: Where Civilizations Collide, 2001, Fairleigh Dickinson University Press, ISBN 0838639437. The Decline of Eastern Christianity: From Jihad to Dhimmitude, 1996, Fairleigh Dickinson University Press, ISBN 0838636888 en The Dhimmi: Jews & Christians Under Islam, 1985, Fairleigh Dickinson University Press, ISBN 0838632629.

Deze boeken zijn ook in het Frans vertaald.

Dank zij haar historische achtergrond herkende Bat Ye’or in de beginselverklaringen over Eurabia vele bepalingen die rechtstreeks uit het dhimmi-statuut waren overgenomen. Het taalgebruik was gemoderniseerd, maar inhoudelijk kwam het erop neer dat Europa zich aan het dhimmi-statuut onderwierp.


00:36 Gepost door Janice Laureyssens in Algemeen | Permalink |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.